Komt een blondje in Iran…

19-08-2008

Hoezeer ik ook probeer, allesbedekkend wil mijn hoofddoek niet worden. Niet dat ik dat ambieer, want behalve religieuze fanatiekelingen en vrouwen die net van school of hun werk komen, is niemand hier streng in de leer. In Shiraz – waar de controle van de religieuze politie minder streng is dan in Teheran – vallen mijn ogen zelfs bijna uit de kassen als ik de meisjes zie die niet meer dan een band van een centimeter of zeven breed midden over hun hoofd hebben hangen. Niet omdat ik verbaasd ben over zo’n vrijzinnige houding, eerder omdat ik razendsnel ontwend ben zoiets sletterigs te zien. (Zei ik sletterig? Dubbele standaarden zijn zo geboren.)

Hun haar is soms geblondeerd, maar mijn blonde haar is pas echt een bezienswaardigheid. Pas als ik in Teheran volkomen misplaatst twee negervrouwen met kind tegenkom, begrijp ik hoe lastig het moet zijn voor de mensen om niet met hun hoofd te draaien als wij voorbij wandelen.

In het huis van de familie van Abbas, de Engelse dorpsleraar, blijf ik alleen achter met een stuk of acht zussen, nichtjes, oma’s en dochters. Doe die hoofddoek af!, gebaren ze. Tussen al hun gesluierde haren lijkt me dat hetzelfde als naakt door de Kalverstraat lopen, dus ik verzeker hen dat dat niet per se nodig is en wijs naar hun hoofdbedekking; die houden ze toch ook op?

Als wij onze hoofddoek afdoen, dan – de vrouw van de Engelse leraar maakt een gebaar langs haar keel om te illustreren dat haar man niet zachtzinnig zal reageren – maar jouw man maakt het niets uit.

Dat klopt, maar laat me dan tenminste een beetje solidair zijn.

Geen denken aan. Voor ik het weet hebben snelle handen de zijden motiefjes uit Kashan op mijn schouders gelegd en neemt iedereen zijn plaats in.

Minutenlang word ik onderworpen aan indringende blikken en ter geruststelling een lach. Hun ogen laten me geen moment los, terwijl ze elkaar zo nu en dan wat toefluisteren. Niet dat in dit huis geen televisie is, maar in alle bescheidenheid, tegen zoiets bleeks kan geen satellietschotel op.

Weg uit Khorramabad

18-08-2008

We komen ’s ochtends om vijf uur, na een lange nacht in de bus, aan in Khorramabad, in de noord-westelijke provincie Lorestan. Het is een kille en opdringerige ontvangst hier. Taxichauffeurs die ons als hongerige haaien omsingelen en ons welgeteld 200 meter verderop voor een hotel uit de auto zetten voor 30.000 reaal (omgerekend drie dollar; je kunt hier voor dit bedrag met een beetje geluk 80 kilometer afleggen). Op ons protest volgt een verontwaardigd ‘benzin!’

In het verlopen hotel pretendeert het personeel niet te begrijpen dat wij eerst willen weten hoeveel een kamer kost, voordat we het pijlsnel toegeschoven registratieformulier zullen invullen. Pas na telefonische bemiddeling door Farsi-sprekende vrienden komen we er achter dat we op een ononderhandelbare zestig dollar moeten rekenen (eerder sliepen we voor minder dan dat in een kamer met boxspring en bubbelbad).

In het toilet van de moskee waar we dan maar heen vluchten is het een drukte van belang voor de ochtenddienst, maar wordt onze ongewone verschijning star genegeerd. Na meer dan vijftien uur zonder beenruimte is onze flexibiliteit mogelijk wat afgenomen, maar dit zijn we niet langer gewend! We besluiten nergens te gaan slapen en in plaats daarvan een minibus naar Dorud te zoeken. Vanuit daar hopen we een paar dagen de bergachtige omgeving te gaan verkennen.

De chauffeur van de eerste minibus die we tegenkomen bedenkt zich, nadat hij eerst beweerde niet naar Dorud te rijden. Hij zal het plaatsje wel degelijk aandoen, met een zeker voorbehoud dat wij uiteraard niet begrijpen. Dus we stappen in. Het wordt een dolle boel. Zelfs de enige andere aanwezige vrouw, die zich op deze vroege morgen veilig in haar chador gerold tegen het raam aan heeft gedrukt, kan een glimlach niet lang onderdrukken. Vrolijk wijzen we naar de loslopende kebab in de berm, grappen over onze chauffeur – die in elkaar gedoken op zijn stoel zit, omdat hij anders onmogelijk wat door de flink met pluche en ruche gedecoreerde voorruit kan zien – en delen ons eten.

Dan eindigt de slingerende bergweg in een dorp van niet meer dan 2000 inwoners, het centrum van zestig omliggende kleinere dorpen. “ Dat is de Engelse leraar”, wijst de bijrijder, en de man stapt in. In Dorud zijn we niet, maar met de trein kunnen we er komen.

De kans die trein te nemen krijgen we nooit, want de Engelse leraar staat erop ons bij hem thuis uit te nodigen voor het ontbijt en weet ons vervolgens over te halen te blijven, zodat hij ons alles kan vertellen over de vorige keer dat er buitenlanders in het dorp zijn gestrand. Na twee dagen mogen we weg, vooruit, als hij ons met de eigen auto naar Dorud mag brengen.

De rit duurt en duurt en duurt, vele malen langer dan de vijfenveertig minuten die de trein erover had moeten doen. Na twee uur komt de aap uit de mouw. Ons dorp was niet zo’n logische plaats om naartoe te rijden op weg naar Dorud. Waarom zijn we er dan heen gebracht?, vragen wij ons af. “Dat vroeg ik de chauffeur ook toen hij jullie kwam brengen.”, antwoordt onze gastheer. “En hij verklaarde: ’Het leek ons wel gezellig met die buitenlanders.’”

En gezellig was het.

Regeringsaanhangers (vraag van Wolf)

16-08-2008

Wat is de motivatie van de voorstanders van het regime, vraagt Wolf zich af. De anti-westerse, pro-islamitische gevoelens moeten er toch zijn en wie ze heeft, hoeft daar niet geheimzinnig over te doen. Dat zou je denken, maar aanhangers van de regering lijken nogal dun gezaaid of zijn op zijn minst voor mij lastig te herkennen.

Een logische verklaring voor het gebrek aan ontmoetingen met Ahmadinejad-steunende Iraniërs, is dat de mensen die ons wat minder gunstig gezind zijn automatisch minder geneigd zijn ons op de hartelijke manier waar we aan gewend zijn geraakt te begroeten. Misschien schelden ze ons op straat wel uit, maar dat hebben wij - onnozel als we zijn - dan niet in de gaten. We hebben dan ook geen reden vijandelijkheid te vermoeden. Zelfs vrouwen in de weinig toegankelijke chador zijn lang niet per definitie anti-westers, getuige de vrouw die eergisteren haar hoofd om de deur van de winkel stak waar wij binnen waren en vrolijk riep: “Amrika? Welcome! Welcome!”

Armenzorg

15-08-2008

Een van de vijf zuilen van de islam is de zakat, de verplichting om je rijkdom te delen met de armen. Om de zakat eenvoudig mogelijk te maken staan in Iran heel wat collectebussen: op straat midden in de stad, in winkels, in metrostations, in huizen en op de meest onwaarschijnlijke en afgelegen plekken. Het is een van de dingen die Khomeiny na de revolutie van 1979 heeft geïntroduceerd.

De staat verzamelt wat men in de bussen stopt en herverdeelt het. Daarvoor is er een centrale organisatie met dependances in iedere plaats. Deze lokale afdelingen zijn  op de hoogte van wie wel een beetje hulp kan gebruiken. Wezen bijvoorbeeld, of ouderen zonder nageslacht. Met het geld kan een bruiloft betaald worden, of een koelkast, of een huis.

Ook reizigers in lastige omstandigheden vallen in de categorie ‘behoeftigen’.

Goed nieuws is geen nieuws

14-08-2008

De Engelstalige kranten die in Iran worden uitgegeven zijn een attractie op zich. Het is een genoegen de stukken te lezen, vanwege de juichende pro-Iraanse toon.

Wat stond er op zondag 10 augustus (de dag nadat de onrusten in de Kaukasus begonnen) in Iran Daily (ook in dagelijkse pdf-versie)? Op de voorpagina, naast nieuws uit Georgië, een bericht dat stelt dat Iraanse diplomaten duidelijk de Iraanse standpunten moeten blijven uitdragen. “Leader of the Islamic Revolution Ayatollah Seyyed Ali Khamenei on Saturday said that Foreign Ministry (sic) should correctly reflect the growing glory and might of the Islamic Republic.”