Licht

Voor- en achterop mijn fiets voer ik de juiste kleur licht. Dat komt doordat ik diep doordrongen ben van mijn eigen verantwoordelijkheid voor de consequenties van potentieel gevaarlijk gedrag. Vandaar ook dat ik mijzelf nooit straaldronken krijg, geen wilde flirtages met oudere mannen aanknoop, niet scheld op overstekende toeristen en een Metro onder mijn voeten schuif als ik die op de bank in de trein leg. Echt.

Dit alles maakt het leven er uiteraard niet altijd aangenamer op.

Zeker niet als het een winderige winternacht is. Zo’n nacht waarin in Parijs altijd een paar zwervers doodvriezen en in Overijssel veldjes ondergespoten worden om de volgende dag op te kunnen schaatsen. Bij gebrek aan dergelijke afleiding greep de ferme wind deze nacht mijn helderwitte voorlicht.

“Tok”, hoorde ik zachtjes. En aan het ontbreken van het schijnsel op mijn stuur begreep ik direct dat ik nu volkomen illegaal en levensgevaarlijk bezig was.

Ik zette mijn fiets in zijn achteruit, wat weinig comfortabel fietste. Toen ik mij dan maar volledig keerde scheen mijn voorlicht uit de verte een baken in het duister. Daar, net links van het midden van de weg, lag hij. Nog ongeschonden. Niet eens in knipperstand.

Maar nu ontwaarde ik ook rechts van het midden een minstens zo fel schijnsel. Het bulderende lawaai ervan deed de net nog doodstille lucht trillen. En een grote SUV zette zich in beweging. De logheid van een tank en qua snelheid nauwelijks indrukwekkend. Maar wat een banden, wat een gewicht. En wat koerste de linkerachterband verontrustend recht op mijn eenzame lampje af!

“Nee, nee”, prevelde ik met een wanhopig piepstemmetje. Het was al te laat. Op dezelfde manier waarop je gesprekken aan de andere kant van een kamer kunt onderscheppen als ze je voldoende¬† interesseren, bereikte het geluid van¬† vermorzelend voorlicht mijn oren, dwars door het geronk van de motor heen. “Skrhg”. En het licht doofde.


Reageer